DE BERGKAPEL
Londerzeel, 1535-00-00

Er bestaan geen geschriften meer of materiële bewijzen over het jaar waarin de Bergkapel opgericht is. In de manuscripten van het Kerkelijk Archief van Londerzeel die in de Algemeen Rijksarchief te Brussel bewaard worden, komt slechts de vage verwijzing voor naar een zekere Mathias Steenberch, “lector in de Heilige Godgeleerdheid” die in 1525 (of 1535) op bedevaart zou gegaan zijn naar Jeruzalem. De naam van pastoor Steenberch komt enkele keren voor in de ”Foto verzameling “Familiearchieven van Marselaer - Deel 2” (Algemeen Rijksarchief Brussel). Hij handelt als “gemachtigd apostolisch notaris” voor het opmaken van het testament van Gielis van Marselaer. Het testament is van 8 juli 1504 en een kopie ervan met als datum 4 maart 1619 is bewaard. Hierin komt de naam Matheus Steenberch voor, maar hij wordt niet nader gekwalificeerd. Op 3 maart 1619 is een afschrift gemaakt van de wijziging van het testament van Gielis van 7 september 1518. Het codicil is onder meer ondertekend door : “Et ego Matheus Steenberch, presbyter Cameracensis, dioces., publicus sacris apostolica et imperiali auctoritatis notarius”. Op 7 november 1523 wordt hij beschreven als “Mr. Matheeus Steenberch, presbytre ende prochiaen van Londerzele”.
Kaart van Londerzeel
Na de dood van Gielis van Marselaer zijn de erfgenamen overgegaan tot de verdeling van zijn nalatenschap, echter niet zonder moeilijkheden. En opnieuw komt Matheus Steenberch voor als bemiddelaar. De verschillende partijen verschijnen op 21 juni 1525 voor de Souvereine Raad van Brabant, waar hun overeenkomst wordt geakteerd en hierin staat de passus : “... die voerschreven partien, hun hadden gesubmitteert (onderworpen) in diversche heeren ende notabele mannen, te wetene in Meesteren Matheeuse van Steenberghe, prochiaen van Londerzele [...] als in arbiters arbitratoers ende minlijcke seggers ...”. Deze pelgrim is dus pastoor geworden in Londerzeel (A.R.Brussel, Kerkelijk Archief nr. 34.036). Hij had volgens de overlevering de afstand opgemeten die Jezus Christus op zijn Kalvarietocht van bij landvoogd Pontius Pilatus afgelegd heeft tot op de berg Golgotha. Dezelfde afstand werd in Londerzeel gemarkeerd door de oprichting van een aantal kapelletjes die de verschillende staties van de Kruisweg vormen, vertrekkend van aan het “Pilatushuis” tot aan de Bergkapel. Dit Pilatushuis was een iets grotere kapel dan de daarop volgende en er stond een beeld in van een geboeide en zittende Christus als Koning der Joden. De kapel stond nabij de plaats waar thans het Pilatusveld aansluit op de Mechelsestraat. Ook over het tijdstip van de aanleg van de Kruisweg is niets met zekerheid geweten. Wat wel onbetwistbaar kan vastgesteld worden is dat de Bergkapel in haar eerste vorm een zekere tijd vóór het jaar 1543 opgericht werd. Uit dit jaar dateert de beschrijving van een onroerend goed te Londerzeel gelegen op de plaats met de naam “Ten Daele”, rechtover het eigendom van de afstammelingen van Gielis Vanden Bempde, “... dwelck nu gelegen es tegens over de nijeuwe Capelle van Calvariën ...” (A. R. Brussel, Schepengriffies nr. 5927). In latere jaren werd “den Berch van Calvarien” veelvuldig aangehaald in de plaatsbeschrijving van in de buurt gelegen goederen, zoals in 1595, 1628, 1643 ... In het jaar 1761 schonk Lancelot Ignatius Jozef, baron van Gottignies en van Gooik, een bedrag van 1.200 gulden voor het opdragen van een wekelijkse mis ter ere van het Heilig Kruis in de Bergkapel. In de stichtingsakte van deze fundatie staat geschreven “... dat t’ sedert tachentig jaeren herrewaerts ende meer, sijne voorsaeten hadden doen celebreren eene wekelijcksche Misse alle vrijdaeghen ter eeren Godts ende van sijn heijligh Cruijs in de cappelle genoempt den Bergh van Calvarien ...” De vergunning tot stichting van de fundatie, verleend door Keizerin Maria-Theresia, bevat ook een kleine verwijzing over de oprichting van de kapel, “... tot Londerseel int quartier onser Stadt Brussel, welcke cappelle aldaer gebouwt was van inmemoriale tijden, emmers van voor het jaer duijsent vijff hondert vijffentwintigh ...” Er wordt echter in de tekst geen bewijs aangevoerd en evenmin verwezen naar controleerbare documenten. De vage aanduiding wettigt slecht het vermoeden dat de Bergkapel in de eerste helft van de 16de eeuw gebouwd werd. Van bij het ontstaan moet er wel een grote belangstelling en toeloop van gelovigen geweest zijn : “ ... ende alwaer van alle die tijden eenen grooten toeloop ende devotie geweest was van godtvruchtighe sielen, seer vermeerdert t’ sedert duijsent seven hondert sesthien, als wanneer den vader des suppliants aldaer besorght hadde de waere Reliquien vant’ heijligh Cruijs ...” (A.R. Brussel, Kerkelijk Archief nr. 34.058). Waar in de machtiging tot stichting van de fundatie van het H. Kruis een schenking van 1.200 gulden voorzien was, is dit bedrag in de notariële akte van 19 mei 1762 om onbegrijpelijke redenen herleid tot 1.050 gulden, bedrag dat overhandigd werd aan de toenmalige pastoor Franciscus Hermans. Met toestemming van de Aartsbisschop van Mechelen, van de kerkfabriek en van de schepenbank heeft de pastoor het bedrag in ontvangst genomen. (A.R. Brussel, Schepengriffie nr. 5292 - Kopie in bijlage). Wie was de milde schenker en welke band bestond er tussen hem en Londerzeel ? Lancelot Ignatius Jozef van Gottignies was een vertrouweling van en verwant aan de vroegere bewoners van het kasteel Drietoren in Londerzeel, de van Doetinghems. Van jonker Engelbert van Doetinghem en zijn vrouw Margriet de Vriese is de grafzerk bewaard die eertijds in het interieur van de parochiekerk van Sint-Kristoffel lag. Sedert vele jaren is de epitaaf ingemetseld in de buitenmuur van de sacristie. Een dochter van Engelbert en Margriet, Joanna Marie van Doetinghem, was gehuwd met Frans van Steelant. Bij de dood van deze laatste kwam zijn nalatenschap toe aan Catharina Cecilia Theresia van Steelant, de moeder van Lancelot Ignatius Jozef van Gottignies. Uit enkele handschriften van die tijd kan men afleiden dat Lancelot meermaals op Drietoren verbleef en dat er een hechte band bestond tussen hem en onder meer zijn tante Anna Catharina van Doetinghem. Het blijkt ook dat deze laatste en haar familie vrome mensen waren die aanzienlijke bedragen schonken aan de kerk en aan de armentafel. In een rekening van officier Michiel De Vos, gerechtsdienaar van Londerzeel, van 26 september 1715 wordt een uitgave van 12 stuivers vermeld als vergoeding die aan hem betaald werd voor het doen van “de wete” of mededeling en oproep aan al de jonge mannen om in stoet het Kruisbeeld te begeleiden naar de Bergkapel : “... aen Michiel De Vos voor den 26 7ber 1715 de wete gedaen te hebben aen de jongmans van Londerzeel om het h. Cruijs te convoyeren tot op den bergh van calvarien 0 - 12 - 0”. Tijdens de Franse bezetting vaardigde het Centraal Bestuur van het Departement van de Dijle een ordonnantie uit waardoor alle uiterlijke tekenen van Godsverering dienden verwijderd en zo moesten ook de veldkapellen afgebroken worden. De Bergkapel werd als een nuttig gebouw aanzien en zou openbaar verkocht worden. Op 12 november 1798 werd een schattingsverslag opgemaakt waarvan de tekst nog bewaard is : ... een kapel, gelegen in de gemeente Londerzeel, genaamd “Capelle Tenberg, gebouwd in steen en bedekt met pannen, 40 voet lang en 25 voet hoog, palende aan ten 1ste de goederen van Antoine Robbereckx, ten 2de de goederen van de weduwe Pierre Vandelm, ten 3de de grote baan naar Mechelen en ten 4de de Bergstraat. Het gebouw had in het jaar 1790 een jaarlijkse waarde van 30 frank, welk bedrag vermenigvuldigd met 20, neerkomt op 240 pond. [Vertaling uit het Frans]. Het Bestuur van het Departement treft op 19 juli 1799 het besluit waarvan hierna, in vertaling uit het Frans, de tekst volgt : - Gelet op het Besluit van het Uitvoerend Directorium van 17 maart 1799 dat de verkoop beveelt van alle kapellen en bidplaatsen die gelegen zijn langs de grote wegen of elders in de Verenigde Departementen, - Gelet op de verplichting om de gebouwen af te breken die, bij gebrek aan belangstelling, niet verkocht werden, - Overwegende dat de kapel genaamd “Capelle-ten-berg”, gelegen te Londerzeel niet verkocht is bij gebrek aan liefhebbers en dit niettegenstaande het beleggen van twee koopdagen,
Tekening : “Steven”><br>
- Overwegende dat het bijgevolg aangewezen is de kapel te doen afbreken, overeenkomstig
het voornoemd Besluit,
- Gehoord de Commissaris van het Uitvoerend Directorium,
- Besluit dat genoemde kapel zal afgebroken worden,
- Gelast de Directeur der Domeinen met het opmaken van een ramend bestek voor de
afbraak.
Het Municipaal Bestuur van het kanton Londerzeel liet op 11 december 1797 aan het
Departement weten dat alle veldkapellen in het kanton afgebroken zijn.
De Bergkapel werd echter niet verkocht noch gesloopt.<br>

<img src=

Bron: (A.R. Brussel, “Voorlopige inventaris van het archief van de Centrale Administratie van het Dijledepartement 22.11.1795 - 26.03.1800”, samengesteld door Frank Daelemans)
De Kroniek van Londerzeel - Marcel Slachmuylders - Geschied- en Heemkundige Kring van Londerzeel v.z.w. - D/1998/8302/1